Bij de behandeling van een angststoornis wordt naast de cognitieve gedragstherapie ook gebruik gemaakt van medicatie en vooral van antidepressiva.

Uit onderzoek blijkt dat antidepressiva ook erg goed werken op het gedeelte in de hersenen dat de angst veroorzaakt. Deze medicijnen zorgen er onder andere voor dat de angst en de onrust in het hoofd wat worden gedempt.

Wanneer is medicatie aan te bevelen?

Een korte omschrijving per angststoornis

Paniekstoornis met of zonder agorafobie

Regelmatig voorkomende paniekaanvallen met of zonder het uit angst hiervoor vermijden van situaties/plekken. Bij patiënten zonder agorafobie (straatvrees) kan gestart worden met cognitieve gedragstherapie om de paniekaanvallen te bestrijden.

Bij patiënten met paniekstoornis met matige tot ernstige agorafobie of daarnaast een depressie, wordt de behandeling gestart met antidepressiva. Na enige weken wordt het antidepressivum gecombineerd met exposure in vivo (het stapsgewijs aangaan van de gevreesde situaties) om het resterende agorafobische vermijdingsgedrag aan te pakken.

Sociale fobie

Vrees voor sociale situaties: kritische beoordeling, zichzelf belachelijk te maken. Bij patiënten met ongecompliceerde sociale fobie kan gestart worden met cognitieve gedragstherapie. Bij patiënten met sociale angststoornis met daarbij een depressie, wordt een behandeling gestart met antidepressiva. Na de evaluatietermijn wordt bij restklachten het antidepressivum gecombineerd met cognitieve gedragstherapie.

Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)

Dwanghandelingen en/of dwanggedachten. Het is zinvol eerst te starten met een behandeling met cognitieve gedragstherapie. Dit geldt niet voor patiënten met OCS en een depressieve stoornis. Zij kunnen waarschijnlijk beter eerst ingesteld worden op een antidepressivum. Bij patiënten met obsessieve-compulsieve stoornis bestaande uit dwanghandelingen en die ook licht of matig depressief zijn en weinig of geen overige klachten hebben, wordt een behandeling gestart met cognitieve gedragstherapie.

Wanneer men bij patiënten met obsessieve-compulsieve stoornis, die met een antidepressivum worden behandeld, denkt aan het staken van de medicatie, wordt daar in de therapie extra aandacht aan besteed om terugval te voorkomen.

Gegeneraliseerde angststoornis

Altijd nerveus, gespannen en veel piekeren over dagelijkse kleine gebeurtenissen. Er is hier geen voorkeur voor medicamenteuze en psychologische interventies. De keuze kan in overleg met de patiënt worden gemaakt. Als er sprake is van generaliseerde angstoornis en een ernstige depressie heeft behandeling met medicatie de voorkeur.

Hypochrondrie

Het interpreteren van op zich onschuldige lichamelijke gewaarwordingen als mogelijke tekenen van een ernstige ziekte. Psychologische behandeling heeft de voorkeur. Wanneer er sprake is van hypochondrie en een ernstige depressie heeft primaire behandeling met medicatie de voorkeur.