Een angststoornis wordt in het psychiatrisch handboek DSM-5 als volgt omschreven:

A: “Een excessieve angst en bezorgdheid (bange voorgevoelens) die gedurende minstens zes maanden vaker wel dan niet aanwezig zijn en betrekking hebben op een aantal gebeurtenissen of activiteiten.

B: “De betrokkene vindt het moeilijk om zijn of haar bezorgdheid onder controle te houden.”

C: “De angst en bezorgdheid gaan gepaard met minimaal drie van de volgende zes symptomen: rusteloosheid; snel vermoeid raken; moeite met concentreren; prikkelbaarheid; spierspanning; slaapstoornis.”

D: “De angst, de bezorgdheid of de lichamelijke klachten veroorzaken beperkingen in het sociale of beroepsmatig functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.”

E: “De stoornis kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis.”