Uit verschillende onderzoeken blijkt dat 0,2 % tot 3% van de mensen uit de algemene bevolking een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft. De stoornis lijkt vaker voor te komen bij mannen dan bij vrouwen. Het niet precies bekend hoe een antisociale persoonlijkheidsstoornis zich ontwikkelt. Het gaat waarschijnlijk om een belangrijke mix van een aantal factoren die op elkaar inwerken, zoals erfelijke, biologische, psychologische en omgevingsinvloeden.

Ten eerste wordt iedereen geboren in een ander lichaam en met een ander temperament (je aangeboren sterke kanten en kwetsbaarheden). In de wetenschap zijn aanwijzingen gevonden dat de aanleg voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis gedeeltelijk erfelijkheid is en dat bepaalde hersenafwijkingen hiervoor mede verantwoordelijk kunnen zijn. Hierbij gaat het om een verstoring in delen van de hersenen die ons agressieve gedrag regelen.

In de wetenschappelijke literatuur zijn er ook aanwijzingen gevonden dat een aangeboren lagere intelligentie en impulsiviteit het risico op de ontwikkeling van deze stoornis verhogen. Ook weten we dat een relatief groot aantal mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis (vaker dan in de normale bevolking) ADHD hebben.

Mensen die later een antisociale persoonlijkheid ontwikkelen, waren als peuter vaak al langdurig lastig, boos en opstandig. Veel van hen hadden als kind dan ook een gedragsstoornis. Kinderen met een gedragsstoornis verzetten zich aanhoudend tegen de leiding van ouders of leerkrachten en weigeren te doen wat wordt gevraagd. Of ze worden driftig als ze worden gecorrigeerd of wanneer hen iets wordt verboden.

Naast aanleg, kan ook de omgeving van invloed zijn op de verdere ontwikkeling van antisociaal gedrag. Zo blijkt uit onderzoek dat mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis vaker dan anderen leefden in armoede of in een zogenaamde ‘slechte’ buurt.  Ook kan de omgang met antisociale leeftijdsgenoten in de pubertijd het risico op het ontstaan van deze stoornis verhogen. Verder weten we dat veel kinderen die later een antisociale persoonlijkheid ontwikkelen, opgroeiden in een gezin waarbinnen hun opvoeders weinig duidelijke regels stelden, vaak inconsequent en hard straften en weinig warmte gaven. Aan de andere kant moet ook worden gesteld dat het opvoeden van kinderen met een aanleg voor gedragsstoornissen erg moeilijk en energierovend is. Zo zal het bij ouders van deze kinderen eerder kunnen voorkomen dat ze niet opgewassen zijn tegen het dwingende en opstandige gedrag van hun kind dan bij kinderen die deze aanleg niet hebben. Hierdoor zullen regels eerder verslappen en zal een kind eerder ‘misbruik’ kunnen maken van de machteloosheid in de opvoeding die veel ouders van deze kinderen voelen. Door deze wisselwerking kunnen opvoeders uiteindelijk iedere grip op het kind kwijtraken.