Actueel

Componence Asset List

15 april 2019

regulier-bosweg.png

Vaak nemen mensen met piekerklachten, deze klachten niet serieus. Veelal denken zij dat het (onbeheersbaar) piekeren bij het leven hoort en zoeken pas hulp op het moment dat er andere klachten bijkomen. En dat terwijl de meeste mensen met gemiddeld elf therapiesessies blijvend van piekeren afkomen.

Of je wel rondkomt deze maand, of je kind het wel goed doet op school, wat anderen van je vinden. Over dat soort zaken piekert iedereen wel eens, maar bij een piekerstoornis is de frequentie en het aantal zorgen veel groter. De ‘wat-als’-gedachten waaraan geen einde lijkt te komen, omdat er altijd wel situaties zijn om over te piekeren. Er wordt voortdurend gepiekerd. En piekert iemand eens niet, dan maakt hij zich daarover zorgen, omdat dat het gevoel geeft dat iets over het hoofd wordt gezien.

Deze mensen ervaren het piekeren als onbeheersbaar, ze kunnen er niet meer mee stoppen. En ook daarover piekeren ze. Zelfs positieve dingen, zoals een vakantie, worden dan een bron van zorgen. Niets is meer leuk. Dat kan uiteindelijk leiden tot een depressie. Toch zoeken mensen niet zo snel hulp, omdat het vaak een sluipend proces is. En het maakt dat de klachten veelal worden beschouwd als karaktereigenschap waarmee je het hebt te doen. Terwijl overmatig piekeren goed kan worden behandeld.

Loslaten, je kunt het leren

Veel mensen denken: het hoort bij me, zo ben ik gewoon. Maar je kunt er wat aan doen, aldus Colin van der Heiden, cognitief gedragstherapeut bij PsyQ in Rotterdam.* Colin leert zijn patiënten anders denken over hun gepieker. Dit doet hij bijvoorbeeld door ze te vragen het piekeren uit te stellen tot het eind van de dag.

Van der Heiden: ‘Het denken “ik moet stoppen met piekeren” lukt vaak niet, maar het omzetten in “ik mag er later over nadenken” lukt vaak wel. Wat er op het piekerkwartier gebeurt is eigenlijk minder belangrijk. Het gaat erom of het je lukt om uit te stellen. Dan realiseren ze zich dat het dus beheersbaar is. Bovendien zijn de meeste zorgen van die dag tegen die tijd al opgelost, en blijken het piekeren dus niet waard. Hierdoor neemt het gepieker al flink af.’

De piekeraars wordt ook gevraagd om een halve week zoveel mogelijk en een halve week zo weinig mogelijk te piekeren. ‘Ze ervaren dan geen verschil in hoe het staat met hun problemen, maar functioneren en voelen zich wel beter als ze weinig piekeren. Zo ervaren ze dat piekeren helemaal niet helpend is.’

‘Pieker je over jouw gepieker? Trek aan de bel!’

Van der Heiden benadrukt ook dat piekeren niet per definitie helemaal slecht is. ‘Het probleem zit ‘m in het “wat als dit - dan dat” denken’. Tot slot: ‘Benoem het zelf niet als gezeur en wacht niet te lang om hulp te zoeken. Als je langer dan een half jaar dagelijks piekert over meerdere onderwerpen én je zorgen maakt over het piekeren zelf, dan moet je aan de bel trekken.’

* Colin van der Heiden werkt als klinisch psycholoog - cognitief gedragstherapeut bij PsyQ in Rotterdam en is bijzonder hoogleraar Geestelijke Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, gepromoveerd op de behandeling van gegeneraliseerde angststoornissen. Zijn onderzoeksinteresse ligt vooral op het gebied van het verbeteren van behandelingen van angststoornissen. Hij richt zich vooral op het vergroten van de effectiviteit en het langetermijneffect van bestaande behandelingen onderzoeken.