Ed W. Berretty, psycholoog/ psychotherapeut afdelingshoofd behandeling (verkort overzicht) Dwangstoornis, hypochondrie en PTSS -
Berrety, E.W. en Emmerik, A. van (2006), Leven met een trauma. ISBN 9789031349555. Reeks Van A tot ggZ, Bohn Stafleu van Loghum Samenvatting De auteurs maken duidelijk hoe een PTSS kan ontstaan en wat je eraan kunt doen. Beschrijvingen van twee totaal verschillende praktijkgevallen maken dit boek herkenbaar voor veel slachtoffers én voor mensen uit de omgeving van iemand met een PTSS. Persoonlijke verhalen van Dutchbat-soldaten en van Dutroux-slachtoffer Sabine Dardenne illustreren hoe verschillend mensen kunnen reageren op een traumatische ervaring. Niet iedereen heeft dan ook baat bij dezelfde vorm van hulp(verlening). -
Berretty, E.W. (2000), Therapieresistentie bij dwang. Een pleidooi voor een niet- klachtgerichte behandeling. Psycholoog 35, p.496-500. Samenvatting Kun je van een dwangstoornis genezen? Er is veel mogelijk tegenwoordig. Huisarts, psychiater en psychotherapeut beschikken over richtlijnen voor cognitieve gedragstherapie en medicamenteuze behandeling met moderne antidepressiva. Gespecialiseerde dagklinische centra bieden hun diensten aan. Toch wordt lang niet iedereen beter. Wat dan? Misschien een ander soort zorg, niet langer gericht op klachtenreductie, maar meer op het leren omgaan met een chronische ziekte. -
Berretty, E.W. en C.A.P. Jacobs (1998), Evaluatie van klinische behandeling bij OCD: een replicatie. Gedragstherapie 31, p.291-296. Summary The effect of inpatiënt treatment of OCD: a replication.This is a report of the results of 67 obsessive-compulsive inpatients treated with cognitive behaviour therapy, mostly in combination with a (s)sri. Therapy outcome was assessed with the IDB, a Dutch adaptation of the Leyton Obsessional Inventory, and the SCL-90, a multidimensional self rating scale. The majority of the OCD-patiënts had an unsatisfactory outpatiënt treatment history. The IDB and SCL-90 appeared to be useful for measuring the severity of complaints and the effect of treatment. A clinical relevant improvement of obsessive-compulsive symptoms was assessed in about 55% of the patiënts. There was a lot of correspondence with the results of the evaluation study of OCD-inpatiënts by Meesters (1997). -
Berretty, E.W. (1997), Intensieve gedragstherapie bij ernstige dwangstoornissen. Directieve therapie 17, p.244-257. Samenvatting Een dwangstoornis is moeilijker te behandelen wanneer de klachten al meer dan twintig jaar bestaan of de IDB-score minimaal 100 is. Ambulante combinatietherapie, dat wil zeggen blootstelling en responspreventie, als eerste deel en farmacotherapie met een (s)sri als tweede deel, indien nog noodzakelijk, bleek eerder min of meer succesvol te zijn bij bijna 70% (n=30). Deze bijdrage bevat een verkenning (n=50) van de mogelijkheden van intensieve (dag)klinische gedragstherapie voor de overblijvende groep, die vaak ook lijdt aan allerlei complicerende comorbiditeit. Bij 75% bleek de verbetering ten minste 30% te bedragen en bij ruim 40% verminderden de klachten met minimaal 50%. Tegelijkertijd daalde de IDB-score van 109 naar 84. -
Berretty, E.W. (1995), Een geval van dwangmatig urineren. Directieve therapie 15, p.85-87. Samenvatting Dwangmatig urineren, een zeldzame klacht, wordt gekenmerkt door de obsessieve poging een normaal gesproken natuurlijk verlopend proces onder voortdurend willekeurige controle te krijgen. Hoogduin et al. (1992) brengen verslag uit van een drietal geslaagde behandelingen. Het model blijkt ook bruikbaar bij een man met een meer kwetsbare persoonlijkheid, zoals uit deze gevalsbeschrijving blijkt. -
Berretty, E.W. (1994), De avonturen van mevrouw Helderder. Directieve therapie 14, p.42-50. Samenvatting Geïnspireerd door een experiment van Hoogduin en Van Duivenvoorden (1985) worden dertig patiënten lijdend aan een obsessief compulsieve stoornis behandeld met gedragstherapie (blootstelling en responspreventie) als eerste deel en farmacotherapie (indien nog nodig). Bij een IDB-score van honderd of minder en een klachtenduur van hoogstens twintig jaar (n=14) leidt gedragstherapie tot een verbetering bij 86%; gecombineerde therapie is succesvol bij 93%. Hier lijkt medicatie dus nauwelijks noodzakelijk te zijn. Bij ernstiger gevallen (n=16) leidt gedragstherapie tot een verbetering bij 50% van de patiënten. Dit percentage stijgt tot 69% wanneer medicatie wordt toegevoegd. De resultaten zijn in overeenstemming met de bevindingen van Hoogduin en Van Duivenvoorden. -
Berretty, E.W. (1992), Dwang, een niet (meer zo) verborgen leed. Over de ontwikkelingen in de gedragstherapeutische behandeling van dwang in de afgelopen vijfentwintig jaar. Tijdschrift voor psychotherapie 18, p.172-186. Samenvatting Er wordt een overzicht gegeven van de toegenomen mogelijkheden om dwang bij de volwassene met gedragstherapie te behandelen. Uitgangspunt is de blootstelling en responspreventie, in 1966 ontworpen door Meyer. In Nederland treft men deze klinische werkwijze aan bij Haaijman in Overwaal. Hoogduin en Emmelkamp dragen bij tot de opzet van een geleidelijke poliklinische variant. Salkovskis en Wegner verbeteren de gedachtenstop. Clomipramine blijkt in staat een impasse in het gedragstherapeutisch proces te doorbreken. In het algemeen geldt dat een actieve opstelling van de therapeut wordt vereist. -
Berretty, E.W. (1990), Het ergste is nu toch achter de rug, nietwaar? Een gedragstherapeutisch werkmodel voor de behandeling van hypochondrie, ontleend aan Salkovskis. Tijdschrift voor psychotherapie 16, p.313-319. Samenvatting Hypochondrie wordt beschouwd als moeilijk behandelbaar. Binnen de gedragstherapie is hypochondrie in het verleden opgevat als ziektefobie, en als zodanig behandeld volgens het bekende tweefactorenmodel van Mowrer. Blijkens recente publicaties van Salkovskis evenwel bestaat er eerder verwantschap met obsessief-compulsieve problematiek. Hij pleit tevens voor onderzoek en behandeling volgens een driefactorenmodel. Een samenvatting van zijn werkwijze wordt gegeven, gevolgd door een gevalsbeschrijving. Het resultaat is bemoedigend. Gedragstherapie -
Veen, D. van der, Appelo, M., Berretty, E., Voogd, N. de en Trugg, W.J. (2003). Rationele Rehabilitatie bij verschillende doelgroepen: meer draagkracht of minder draaglast ? In: Directieve therapie, 23, (2), p.177-191. Samenvatting Dit artikel doet verslag van het effect van Rationele Rehabilitatie (RR) bij verschillende doelgroepen. Deze kortdurende therapie is gericht op het versterken van draagkracht zodat de patiënt minder draaglast ervaart. Bij patiënten met therapieresistente angstklachten, bij patiënten met verslavingsproblematiek en bij patiënten met een chronische longaandoening werd een pilotstudie uitgevoerd. De resultaten laten zien dat RR bij deze doelgroepen vooral bijdraagt aan het verminderen van draaglast. Verder wordt duidelijk dat lang niet alle patiënten van de therapie profiteren en dat de therapie een hoge drop-out rate kent. -
Berretty, E.W., Vermeulen, F & Boeijen, R. (1998), Afdeling gedragstherapie, Stichting Rosenburg Den Haag. Stichting Fobieclub Nederland: Fobievizier, 30, p.291-296. Samenvatting De afdeling gedragstherapie werd op 1 januari 1974 opgericht als een zelfstandige afdeling van het bovengenoemde ziekenhuis, met een eigen opname-, behandel- en ontslagbeleid. Ooit begonnen onder leiding van Y.D. Goei werd de afdeling uitgebouwd tot een afdeling met landelijke bekendheid. -
Rientsma, M. en Berretty, E.W. (1994), Ontwikkeling van behandelprogramma's. Hoe het verder is gegaan. Bulletin van de Vereniging voor Gedragstherapie, p.33-34. Samenvatting Op tenminste drie niveaus kan naar behandelprogramma's gekeken worden. In de eerste plaats in algemene, globale termen. Dit niveau is vooral van belang voor de aanstaande financier. In de tweede plaats in een meer uitgewerkte vorm, met blokken waarin duidelijk omschreven interventies centraal staan. En tenslotte op het niveau van per zitting uitgeschreven draaiboeken op basis waarvan onderzoek en training plaatsvindt. -
Berretty, E.W. en A. van de Venne (1989), Gedragstherapie.nIn: RIAGG Rotterdam zuid. Beter op dezelfde lijn. p.133-145. Oosterhout: Schuurman. Samenvatting Gedragstherapie is een behandelvorm die zijn wortels kent in de leertheorie en in de experimentele psychologie. Het is een pragmatische behandelwijze die in verschillende afdelingen van de RIAGG zijn diensten bewijst. Geprobeerd wordt een inzicht te geven in het hoe en het wat van de gedragstherapie. -
Berretty, E.W. (1988), Het weerstandsbegrip: een korte reactie Tijdschrift voor psychotherapie 14, p.353-354. Samenvatting Niet elke moeizame episode in een psychotherapeutisch proces hoeft te wijzen op weerstand bij de patiënt. Misschien is de moeizaamheid voornamelijk een gevolg van gebrekkig therapeutgedrag. Slechts een diepergaande functionele analyse kan licht op de zaak werpen. Temperament en Persoonlijkheid Van A-ggz]: De boeken uit de reeks Van A tot ggZ zijn voor zowel de professional als de patiënt uiterst bruikbaar om meer inzicht in diverse stoornissen te krijgen. In deze reeks zijn ook boeken verschenen over de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis (deel 8), waarvan sprake is wanneer angst leidt tot het vermijden van contacten en emoties, en de dwangmatige persoonlijkheidsstoornis (deel 4),waarvan sprake is wanneer angst ertoe leidt dat iemand alles heel precies moet doen om fouten te voorkomen. - Berretty, Ed (2005), Leven met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Houten: Bohn Stafleu van Loghum. 130 blz. - [Reeks: Van A-ggz]: deel 18. - ISBN 90-313-4581-4
| Voel je je vaak hulpeloos en klamp je je vast aan bepaalde mensen? Durf je absoluut niet op je eigen oordeel en vaardigheden te vertrouwen? Als dit zo ver gaat als bij Anne Bloem, de hoofdpersoon in dit boek, spreken we van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Die stoornis maakt iemand extra vatbaar voor somberheid, angst en lichamelijke spanningsklachten, vooral bij dreigende verlating. Anne Bloem gaat in behandeling en overwint zo haar angst. In dit zelfhulpboek beschrijft auteur Ed Berretty in romanvorm het verhaal van Anne Bloem (48). Naast mevrouw Bloem spelen daarin haar man, haar inwonende dochter van 22 en haar psychotherapeut een belangrijke rol. Aan het einde van elk hoofdstuk wordt de aangereikte kennis in overzichtelijke punten op een rij gezet, aangevuld met bruikbare tips. De lezer krijgt door dit verhaal inzicht in de symptomen van de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de mogelijkheden om daar iets aan te doen. Mevrouw Bloem kiest in overleg met haar therapeut voor een combinatie van cognitieve therapie en gedragstherapie. Cognitieve therapie maakt je bewust van negatieve basisgedachten, zodat je deze kunt veranderen in neutrale of positieve denkbeelden. Bij gedragstherapie leer je je stap voor stap te gedragen naar die nieuwe positieve basisideeën. De levensechte beschrijving van de gesprekken van mevrouw Bloem met haar therapeut en de heldere opdrachten die zij mee naar huis krijgt, zullen voor sommige mensen al voldoende zijn om op eigen kracht van hun persoonlijke afhankelijkheidsstoornis af te komen. Voor anderen kan dit boek de drempel wegnemen om bij de professionele hulpverlening aan te kloppen.
| -
Berretty, Ed & Kees Korrelboom (2003), Leven met een ontwijkende persoonlijkheidsÂstoornis. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. 171 blz. - [Reeks: Van A-ggz]. - ISBN: 90-313-4091-x.  | Ben je erg verlegen en (over)gevoelig? Voel je je eigenlijk nooit en bij niemand op je gemak? Misschien lijd je dan aan een zogenaamde ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Dat komt bij minder dan 1% van de bevolking voor. Is dat erg? Het hangt er vanaf. De kans is groot dat je op den duur last krijgt van allerlei klachten en problemen, zoals angst, depressiviteit of sociaal isolement. Met dit boek kun je leren ontwijkend gedrag te doorbreken en sociaal vaardiger te worden. Kijk mee over de schouder van Muriël. Ze ontdekt met hulp van een vriendin dat ze een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft. Ze gaat in behandeling bij een psychotherapeut. Neem een kijkje achter de deur van de spreekkamer en leef stapje voor stapje mee met Muriël tijdens de meest spannende momenten in haar behandeling. Zie hoe ze uiteindelijk niet langer een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft. Ze is een gewone aardige jonge vrouw geworden, die hoogstens een tikje verlegen is gebleven. |
-
Berretty, E. (2002), Leven met een dwangmatige persoonlijkÂheidsÂstoornis. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. 105 blz. - [Reeks: Van A-ggz, deel 4]. - ISBN: 90-313-3877-x.  | Eén procent van alle mensen heeft een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis. Zo iemand is (te) plichtsgetrouw, perfectionistisch, prestatiegericht, precies en punctueel. Een persoonlijkheidsstoornis is niet hetzelfde als een kwaal, maar maakt iemand wel kwetsbaar. Je kunt het vergelijken met ongezond leven: dat vergroot de kans op ziekten. In 'Leven met een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis' gaat Sandra op zoek naar zichzelf. Ze krijgt daarbij hulp van familie en bekenden. Zo ontdekt ze stapje voor stapje wat er met haar aan de hand is, en wat ze daar aan kan doen. Ga mee op ontdekkingsreis!
| -
Werre, P.F., Mattie, H. en Berretty, E.W. (2001), Contingent negative variation, extraversion reaction time and drug effects. Personality and Individual Differences 30, p.1083-1094. Abstract The effect of caffeine and chlordiazepoxide on contingent negative variation (CNV) and on reaction time (RT) was investigated in 44 healthy naive volunteers, in relation to various psychological tests. Early CNV is characterized by a significant interaction between drug effects and extraversion, boredom susceptibility, disinhibition and strength of excitation. Caffeine increased early CNV amplitude for those with high scores and decreased it at low scores. Chlordiazepoxide had the opposite effect. Placebo effect was negligible. At modal scores there was no appreciable difference between either drug and placebo. In consecutive sessions early CNV decreased. Early CNV was not correlated with RT. In contrast, there was no significant drug effect on late CNV or on RT, either with or without an interaction with extraversion. Late CNV showed a strong negative correlation with RT but early CNV had no positive effect on this relationship. RT was also negatively correlated with extraversion. Late CNV was stable over sessions. Only for early CNV the results support the hypothesis that stimulation by caffeine would cause a CNV decrease at low scores and an increase at high scores, whereas inhibition by chlordiazepoxide would have the opposite effect. -
Werre, P.F., Mattie, H., Fortgens, C., Berretty, E.W. & Sluiter, W. (1994) Interaction between extraversion and drug-induced conditions as indicated by the contingent negative variation. Biological psychology 39, p.45-56. Abstract The effects of chlordiazepoxide, caffeine and placebo on the contingent negative variation (CNV) in relation to extraversion were investigated in a double-blind study. Forty-four healthy naive volunteers, varying in extraversion scores, took part in the study. The baseline values of the O wave, E wave and average CNV amplitudes decreased significantly in successive experiments for individual subjects. Administration of the drugs caused a change in the amplitude of the O wave from baseline, whereas placebo effects were negligible. For chlordiazepoxide the change was positive at the lower end of the extraversion score and negative at the upper end, while for caffeine the opposite was found. For the individual drugs the correlations with the change in O wave and extraversion score were not significant (P<0.20 in the case of both drugs). Analysis of the difference in the effect on O wave between the drug and the placebo yielded a significant correlation for chlordiazepoxide (P<0.05) whereas the positive correlation for caffeine was not significant (P<0.40). The individual differences between the effects of chlordiazepoxide and caffeine on O wave correlated significantly with the extraversion score (P<0.02). This difference was positive at the lower end of the extraversion score and negative at the upper end. The same trend was found in the case of E wave and average amplitude but not significantly so. This finding supports the hypothesis that CNV is an indicator of the interaction between extraversion and condition. -
Werre, P.F., Mattie, H., Fortgens, C., Berretty, E.W. & Vibert-Jouandet, C.C.M. (1985), Interaction between extraversion and condition as indicated by contingent negative variation. In: J.T. Spence, C.E. Izard (editors), Motivation, emotion and personality. Selected / revised papers, volume 5, XXIII International Congress of Psychology, p.231-240. Amsterdam-New York-Oxford: Elsevier. Abstract Experiments, designed to explore the relationship between brain function and personality, showed a condition dependent relation between contingent negative variation and extraversion. A model exemplifying this interaction between extraversion and condition as indicated by contingent negative variation was proposed. Attempts to integrate Eysenckian and Pavlovian concepts led to a revision on this model.
|