Binnen het programma Angststoornissen werken we onder andere met handleidingen (protocollen) voor screening, diagnostiek en therapie. Momenteel wordt gewerkt met
- het Paniekprotocol
- het GAS-protocol
- het Obsessieprotocol.
Deze protocollen hebben een vergelijkbaar uitgangspunt. Het GAS-protocol en het Obsessieprotocol worden individueel toegepast.
Het Paniekprotocol wordt inmiddels toegepast in de training Paniekmanagement. Hierin leert de patiënt de angstgedachten over de paniek (het paniekthema) weg te drukken door een thema wat controle uitstraalt en wat sterk aanvoelt. Ook leert de patiënt om te gaan met lichamelijke sensaties die vaak optreden tijdens een paniekaanval.
Het GAS-protocol is bedoeld voor patiënten met een gegeneraliseerde angststoornis; de altijd nerveuze piekeraars. Tijdens de behandeling met dit protocol leert de patiënt onder andere afstand te nemen van waar hij of zij over piekert.
Het Obsessieprotocol is bedoeld voor patiënten die last hebben van obsessies. Een obsessie is een nare gedachte, neiging of een beangstigend beeld dat zich geregeld, zonder duidelijke aanleiding aan je opdringt en waar je last van hebt. Het is moeilijk om een obsessie los te laten of te onderdrukken. Bij een obsessie gaat het bovendien niet zomaar om een beangstigende gedachte, het zijn gedachtes die niet bij je passen. De obsessie ik maak mijn kind dood, past niet bij iemand die veel van zijn kind houdt.
In het protocol wordt, net als bij het GAS-protocol, onder andere geoefend met het afstand nemen van de obsessies met als beoogd resultaat dat de patiënt minder obsessies ervaart en de angst hiervoor afneemt.